Onderschat het belang van een ‘kletspraatje’ niet

Onderschat het belang van een ‘kletspraatje’ niet

6 januari 2022 Artikelen 0
Home » Onderschat het belang van een ‘kletspraatje’ niet
Bron: Maart 2019 Trouw Tijd – Iris Hannema

Een kort gesprek met een volslagen onbekende over een klein, luchtig onderwerp: Iris Hannema is dol op het ‘kletspraatje’, waarvan we het belang niet mogen onderschatten. Even contact maken en je naar de wereld richten is zo gek nog niet in tijden waarin velen zich in hun telefoonscherm of onder grote koptelefoons schuilhouden.
Ik maak ontzettend graag een kletspraatje, blijer kun je mij niet maken. Een heel gewoon straats babbeltje is even verbinding maken met iemand die je niet kent, elkaar zien en gezien worden, en hoe kort de ontmoeting ook duurt: er heeft warme wederzijdse aandacht plaatsgevonden. Het is een hobby, maar ook een behoefte. Ik maak graag contact met mensen omdat ik andermans verhalen inspirerend vind (de hobby), maar het heeft ook een nuttige kant: kletspraatjes bewijzen dat ik mijn aandacht naar buiten toe gekeerd heb en opensta voor anderen of het nu de serveerster is, een verkoper, iemand naast wie ik in een café zit, achter wie ik in de rij sta, naast zit in de bus of trein of op straat zomaar mee in gesprek raak, het gebeurt mij altijd en overal. De onderwerpen zijn luchtig en bedoeld om eensgezindheid te brengen: het weer, de koffie, de krant, iemands hond, een compliment van of aan iemand, het nieuws, de files, vertragingen.

Ik voel geen schaamte meer om zomaar een praatje te maken en wat mij daarbij ontzettend heeft geholpen is dat ik de afgelopen tien jaar in mijn eentje met een rugzak de wereld over heb gereisd. In gesprek raken met onbekenden maakt een vitaal deel uit van prettig alleen reizen, simpelweg omdat je in je eentje wel móét. Veel heb ik er niet voor hoeven doen want het verlangen naar dat korte menselijke contact, die sociale behoefte, welde op reis vanzelf op en is gebleven.

Kort en bondig
Ik zou het kletspraatje willen definiëren als het prettig, maar kort uitwisselen van futiliteiten met iemand die je helemaal niet kent – of alleen oppervlakkig. Het wordt ook wel ‘babbeltje’ genoemd. Het kletspraatje heeft geen duidelijk einde, maar is van nature kort en bondig. Er wordt vaak even naar elkaar gelachen en het is vrij van schuldgevoelens: je kunt er op elk moment mee stoppen door iemand te groeten en verder te lopen of je aandacht weer op je boek of op de horizon te richten. (Verwar het ‘kletspraatje’ niet met ‘kletspraat’, zonder de verkleining, want dat betekent zoiets als ‘leugenachtige praat’ en heeft niets te maken met het geliefde kletspraatje.) 

Het ontaarde kletspraatje, een veel te lang gesprek vol persoonlijke ontboezemingen net op het moment dat jij je boek wilt lezen of even rustig wilt nadenken, komt ook weleens voor. Vervelend is het vooral als je een lange treinreis maakt of naast elkaar zit in het vliegtuig, maar het zou jammer zijn om uit angst voor dit soort langdradigheid het kletspraatje helemaal af te zweren. De oplossing is voor de hand liggend: het moet uitgesproken worden. Tegen iemand die het natuurlijke einde van een praatje niet aanvoelt, moet gezegd worden dat je nu weer even verder wilt met lezen of je ogen wilt sluiten; niks mis met eerlijkheid, als je het maar op een vriendelijke toon houdt, dan voel je je er ook niet schuldig of vervelend over.

Ik laat me ook weleens verleiden tot een veel te lang kletspraatje waar ik op dat moment niet veel zin in heb. Soms laat ik iemand zijn of haar verhaal gewoon vertellen, zo erg is dat nou ook weer niet, en soms kap ik het vriendelijk maar resoluut af. Mijn regel is dat het nooit moet dooretteren totdat ik me onvrij of benauwd voel. Lastiger is het afkappen van kletspraatjes met mensen die je oppervlakkig kent: je wilt niet onaardig of ongeïnteresseerd overkomen op mensen die je nog vaker tegen het lijf zult lopen – de schoonmaakster, buren, collega’s die je tegenkomt in de trein. Kletspraatjes met onbekenden zijn daarom mijn favoriet: ze zijn vrijblijvend en eenmalig. 

Zelf heb ik een buurvrouw in het Franse dorpje waar ik woon die me aanklampt als ze me ziet, standaard met een verhaal waarop het volgende verhaal volgt, en het volgende, en ze praat zo veel en snel dat er geen pauze valt om te zeggen ‘dat ik er maar weer eens vandoor ga’. Ondertussen heb ik een techniek ontwikkeld, al moet ik bekennen dat ik nog altijd zo onsportief ben om in eerste instantie weg te duiken als ik haar zie aankomen. Maar kom ik onverhoopt toch oog in oog met haar, dan zorg ik ervoor dat ik niet stilsta, dit is de praatstand, maar in beweging blijf. Ik steek alleen mijn hand op (dus geen Franse wangkussen uitwisselen), lach vriendelijk, vraag hoe het haar vergaat en tegelijkertijd loop ik naar de auto, stap ik in, zet de motor aan en zwaai: dag-dag! Het werkt echt.

Moed vereist
Jammer genoeg moet ik concluderen dat het korte dorpse kletspraatje in de grote Nederlandse steden uit de mode lijkt te zijn geraakt. Wanneer ik mijn ouders in het nog in winter gehulde Nederland bezoek, zie ik bijna iedereen op straat en in het openbare vervoer met witte Apple-oortjes in of met van die grote koptelefoons op. Mensen luisteren misschien naar muziek, of een podcast, maar het zou ook stilte kunnen zijn dankzij herrie onderdrukkende koptelefoons. In ieder geval zijn het hulpmiddelen om de ander maar niet te hoeven horen en welk contact dan ook te vermijden; soms denk ik weleens dat we in een tijdperk zijn beland waarin we overgevoelig zijn geworden voor de ander.

Op een woensdag rijd ik samen met mijn vader met de splinternieuwe Amsterdamse metro op en neer van diep noord naar financieel zuid. Op de terugweg ploft tegenover ons een jongen neer die daarbij niet van zijn telefoon opkijkt. De hele rit lang kijk ik zijn richting op, naar zijn typende handen, zijn op elkaar geklemde kaken, en denk: hij gaat een keer opkijken, zijn instinct gaat hem dwingen om even snel te scannen door wat voor types (goed of slecht volk?) hij omringd wordt.

Maar als we bijna bij het eindstation in Amsterdam-Noord aankomen, heeft hij nog niet één keer om zich heen gekeken. Waarom niet? Misschien omdat zijn telefoon zo verslavend is dat hij zich er niet van los kan maken, misschien verstopt hij zich, is het een houding. Want elkaar aankijken is confronterend en vereist enige moed: het kan leiden tot contact, wat kan leiden tot praten, wat kan leiden tot voelen, wat kan leiden tot verrassingen en zelfs tot verandering. Niet doen hoor, telefoonjongen, doodeng! Bij de eindhalte loopt hij de metro uit, nog altijd kijkend op zijn telefoon en ik kijk hem na. Met dat altijd heel druk met jezelf en de cirkel om je heen bezig te zijn, sluit je je compleet af van de buitenwereld. En terwijl het een van onze grootste angsten in het sociale-mediatijdperk is om niet gezien te worden door anderen, is dat precies het gevolg van je in je eigen wereld keren: je wordt er onzichtbaar van.

Lucht en vrijheid
Om je te kunnen verbinden met vreemden, al is het maar heel even en gaat het over het weer, iemands hond of de treinvertraging, is hoofdruimte nodig, tijd, en het impulsieve broederlijke contact zonder duidelijke inhoud en afgesproken eindtijd kan er eigenlijk niet meer bij. Onze harten zitten al zo vol, met werk, familie, geliefdes, vrienden, collega’s, clubjes en mensen van vroeger, en vergeet alle kwetsuren, to-dolijsten en zorgen niet. Maar die ruimte voor verrassingen en het onverhoedse, het gevoel dat het leven niet alleen bestaat uit een vaste kring maar van elastiek is, van vorm kan veranderen en altijd weer kan vernieuwen, helpt juist om lucht en vrijheid te creëren.

Die specifieke sfeer voor onderonsjes wordt gecreëerd door een gevoel van vertrouwen en het is daarom dat de kletspraatjes in openbare wc’s en kleedkamers nog steeds niet passé zijn. Het samen in de spiegel kijken, haren doen, omkleden, make-up bijwerken, zorgt voor die intimiteit waarin we wél weer aan de babbel raken; voor een kletspraatje is kennelijk een gevoel van veiligheid nodig.