Spring naar inhoud

Mag ik hem aaien? Zegt de oudere man en bukt meteen en aait mijn hond.
Hij draagt een gebreide trui, beige broek en wijde pijpen. Alles model jaren zeventig.
Zijn ogen, - achter zijn hoekige bril met hoornen montuur - kijken mij strak aan.
‘Te gek wat ze je niet flikken!’ Roept hij uit, en zwaait met een papier in zijn hand. ‘Artsen schrijven je medicijnen voor en dan krijg je heel wat anders bij de apotheek. Ik heb last van mijn evenwicht, val zo naar achter als ik niet uitkijk. Kom ik bij mijn dokter zegt hij; ‘ja meneer, ouderdom komt nu eenmaal met gebreken. Leer er maar mee leven’. Geen respect hebben ze meer voor je!
Nu krijg ik fysiotherapie en mag ik elke keer drieënveertig euro voorschieten en dan nog je eigen risico. Ik ben goed en aanvullend verzekerd, dan zou je toch niets meer bij hoeven betalen? Ze liegen gewoon. Niemand vraagt of ik dat wel heb’. Woont u hier in de straat? Vraag ik. ‘Ja, daar verderop, net om de hoek en al jaren’. ‘En is dit een leuke buurt?’ ‘Nou ik woon er al jaren maar je maakt wat mee. En die woningbouw, boeven zijn het. Ze doen niks aan het onderhoud maar wel je huur verhogen. En mijn buren, vorige week stonden mijn buurmeisjes hun haar te borstelen op hun balkon en gooide ze hele dotten haar zo naar beneden in mijn tuin. Ik heb het allemaal bij elkaar geveegd en door de brievenbus gepropt. Toen was het meteen over. Geen respect meer. En vorige week stond een buurtbewoner me gewoon uit te dagen. Hij had zijn auto pal voor me deur geparkeerd, keiharde muziek aan en half op de stoep. Ik heb een glas en loodhanger tegen mijn raam hangen die ging als een gek heen en weer van het gedreun. Toen ben wel even naar buiten gestapt. Geen respect meer’. ‘U laat niet over u heen lopen’, zeg ik. ‘Maar ze weten me ook te vinden hoor in de buurt’. Hij lacht nu en ik zie een enorme spleet in zijn mond waar een tand mist. ‘Willen ze een mes slijpen, of hebben ze een klusje waar ze niet uitkomen dan staan ze voor me deur. Dan help ik ze verder’.

‘Goh, respect hoor’, zeg ik. En zijn ogen beginnen te twinkelen.

Nu de herfst zijn intrede heeft gedaan en de wind door de straten blaast, strijk ik niet meer neer aan de straat. Het klaptafeltje en de kan koffie heb ik verruild voor mijn driewielfiets. Dit is nu mijn basis en stop ik regelmatig om te luisteren naar de ander. Zo gaat het Straotpraoten onverminderd door.

Er springt een enthousiast en licht kwijlende hond tegen me aan. Van een vriendelijk soort. ‘Kom hier! Zegt de eigenaar, ‘niet doen’. ‘Oh geeft niks hoor’, zeg ik. ‘Ik hou van honden, dat weet je’. ‘Hoe gaat het met jou? Vraag ik. Deze kalende man heeft een slank postuur, draagt een opvallende ring en oogt jong. Maar is naar ik weet wel van middelbare leeftijd. ‘Oh het gaat wel’, antwoordt hij. ‘Het blijft wennen. Een huwelijk van zoveel jaar gestopt. Ik kan het soms nog steeds niet geloven. Zag het echt niet aankomen, dat ze wegging. Gelukkig heb ik hem nog’. En hij wijst naar de bruine hond, die vrolijk staat te kwispelen. ‘Mijn kinderen zijn nog steeds verdrietig’, gaat hij verder. ‘Dat is misschien nog wel het aller moeilijkste. Al zijn ze al volwassen. Ze zien het aan je. Hoe doe jij dat alleen zijn? Vraagt hij en wacht het antwoord niet af. ‘Ik heb ook ineens heel weinig inkomen, moet opletten wat ik koop. Ik zit met een heup die stuk is daarom ben ik ook thuis en ik wil wel vrijwilligerswerk doen maar kan me er alleen nog niet toe zetten’. Mmm, mompel ik. Hij gaat verder: ‘van de week sprak een onbekende man me aan en zei; ‘was leuk he dat ik je daar zag? Ik had geen idee waar hij het over had. Dat gebeurd me wel vaker dat mensen me ergens zien en dat ik er dan niet ben geweest. Ook toen ik jong was. Dat zou wat zijn als ik mijn dubbelganger tegen zou komen. Net alsof je in de spiegel kijkt. Zou hij dan ook gescheiden zijn? Zegt hij vragend en kijkt me aan. ‘Ik heb weleens gehoord dat we allemaal een evenbeeld hebben rondlopen, antwoord ik. Hij fronst zijn wenkbrauwen en zegt:

‘nou als ik heb dubbelganger heb dan ben ik ergens toch niet alleen’.

Ik aai de hond en zeg: 'dat is een mooie manier om ernaar te kijken, ik ga, we spreken elkaar wel weer. Tot snel'.

1

Dit verhaal heeft een buurtprijs gewonnen via een sociaal landelijk platform voor buurtontwikkeling.

Zijn ogen worden groter. Ik zie een jongeman met zwart, kortgeknipt haar die naar mij kijkt. Een mobiele telefoon in zijn rechterhand en oordopjes in zijn oren. Ik schat hem een jaar of vijfentwintig.
Ik zit hier nu een klein kwartier aan de straat. Tussen de bushalte en de vuilnisbak in, gelegen aan een drukke kruising in deze levendige wijk in Zuilen. De auto’s en brommers razen voorbij. Heel af en toe, als er een auto afremt voor de verkeersdrempel, zie ik de blikken van de inzittenden. Soms zwaait er iemand spontaan naar mij of gaat er een duim omhoog. Het zorgt voor een lach op mijn gezicht.
Het is best ongewoon om hier te zitten. Wanneer zie je nu een vrouw met een klaptafel, twee kannen koffie, een driewielfiets en een groot bord met; ‘zin in koffie’? erop. Vandaag is de start van mijn project straotpraot. Ik ben behoorlijk adrem, ondanks de sociale fobie die ik ooit had, spreek ik nu wel onbekende mensen aan op straat of onderweg. Zomaar een dag of hallo. Met een achternaam als Brugman kan dat haast niet missen. Tijdens die ‘schijnbare’ prietpraat vertrouwen mensen mij van alles toe. Praten we over het weer, familie en delen zij heftiger zaken. Als eenzaamheid of angsten over de huidige dingen die gebeuren in de samenleving.
Bij de bushalte staan meerdere mensen met allemaal een mobiel in de hand.

De meesten hebben geen oog voor hun omgeving en houden hun blik gericht op de oplichtende beelden in hun hand. De jongeman die naar mij kijkt doet zijn oordopjes uit en stopt ze in de zak van zijn bomberjack.’ He, mevrouw wat doet u hier? Hij is een van de weinige die echt contact maakt.
'Wafeltje bij je koffie? ‘Nou lekker mevrouw’.
‘Ik ben op weg naar de kazerne, zegt hij, en ik woon nog bij mijn ouders en mijn zus’. Als hij doorpraat vertelt hij mij over hoe trots hij is op zijn ouders.‘Ze hebben het niet breed hoor, toch zorgen ze goed voor ons’. Over de buurt waar hij woont. En dat hij herkent dat er nog maar weinig mensen even een praatje met elkaar maken. ‘Ik doe dat zelf ook niet zo snel uit mijn eigen’.
‘Waarom niet? 'Dat weet ik niet zo goed, ik vind zo’n gesprek wel fijn’.Het is een gesprek waar ik, naast luisteren naar de ander, ook iets deel over mijzelf. Waarom ik dit ben gestart en dat ik niet meer deelneem aan het reguliere arbeidsproces.

Dan komt zijn bus er in de verte aan. Hij staat op. ‘Mag ik u een fooi te geven want u verdient hier toch niets mee?, zegt hij. Ik grijns, het buurthuis sponsort me met de koffie, zeg ik’. En dit gesprek is al van waarde’. ‘Zeker, zegt hij, ik neem een lach mee de dag in! Als de deur van de bus dichtgaat zwaait hij met de ansichtkaart van Straotpraot, die ik hem nog snel in de hand heb gedrukt. 'Gosh', gaat het door mijn hoofd, in tijden waarin we volop mogelijkheden hebben om met elkaar te communiceren is er minder contact dan ooit. Toch kan het simpel zijn.

Als iemand een naam heeft of waar je, - al is het maar even kort – mee hebt gepraat is die minder onbekend. Zo zijn we weer meer een soort van buren van elkaar. Aan het einde van de middag fiets ik naar huis. In gedachten passeren de mensen die zijn aangeschoven. De jongeman, een gesluierde dame, de vrouw die zonder sleutels de deur achter haar dicht had getrokken, de man met de drankverslaving. Stuk voor stuk mooie mensen met ieder een eigen verhaal. Zij hebben nu een naam hebben gekregen.

Ik hoop dat ze ook weer hallo, of dag zullen zeggen dan wordt het een stuk leuker in de buurt.

Gaypride
‘Vangen! Roep ik’.‘Nee, bedankt zegt de man, snoep is troep’. Vandaag staat mijn klaptafeltje en kan koffie voor een winkel in het centrum van de stad. Te midden van het winkelend publiek en voorbijtrekkende feestvierders - met opvallende roze kledij en regenboogvlaggen -. Verder enkele travestieten, met in hun kielzog een fotograferende toerist. Het is gaypride. Dus deel ik naast het gebruikelijke ‘kommechie koffie’ ook regenboogsnoepjes uit.

Gezond?
Dat niet. ‘Troep? Herhaal ik en observeer de nee-bedankt man, een strakke snit in het beige pak, zijn gezicht in de plooi en de geur van een onbekende aftershave. Niet het type mens welke ik doorgaans spreek. Op straat kan alles, dus een half uur later weet ik dat deze man – door gezondheidsproblemen – zijn leven een aantal jaar geleden drastisch heeft veranderd. Ben ik op de hoogte over; wat is goede voeding? En ben ik enthousiast geraakt om zelfs naar een waterwinkel te gaan, om de grand crue onder het water (van honderden euro’s) te bewonderen. Al zit een aankoop er niet in met mijn smalle beurs.

Eend
‘Ik sla nog geen vlieg dood, zo gek ben ik op dieren, zegt de man en

ik heb zelfs een eend als huisdier gehad. Die ging gewoon mee in de auto.

Als bijrijder, hij kwaakte er dan lustig op los’. Zoiets bedenk je toch niet! Als het tijd is om naar huis te gaan gaat het door mijn hoofd, ” bij de een zit de kleur aan de buitenkant, - dat heb ik vandaag wel gezien met al die uitgedoste mensen -, bij de ander meer van binnen”. De mens is een kleurrijk palet van diversiteit, dat is me met recht wel een feestje waard! Lucky Duck.

Kapperszaak
Ik zwaai de deur open en een aantal koppies gaan direct mijn kant op. De kapperszaak zit aardig vol. Maandelijks hang ik hier een poster op met plaatselijke buurtactiviteiten. Het postcodegebied geeft aan dat dit , deel van de Amsterdamsestraatweg, buiten Zuilen valt. Hier heet het Ondiep. Ach, laten praatjes zich tegenhouden door zo’n grens?

Stekelbossie
Bij de spiegel zit een goedlachse vrouw in een kapmantel. Ze draait zich om en ik knik naar haar en we raken in gesprek. ‘Mijn straat is vuil en heeft lelijke stekelbossies, zegt ze. We wonen hier vlakbij. Al jaren. Hé, ma! Moeder, “het ougie” is er ook en zit in de wachtruimte. Ze knikt en mompelt een ja,ja vanuit haar rolstoel. ‘We voelen ons er niet fijn bij. Leuke plantenbakkies, geen rommel en geen stekels, dat zou schelen. Maor ja, d’r gebeurt niks’. Ik luister en de kapper wacht geduldig met zijn schaar.

Bel me maar
‘Hier, mijn telefoonnummer, zeg ik. Bel me maar. Dan maak ik een afspraak voor je, zodat je de juiste mensen spreekt om dit op te lossen. Ik zeg verder niets toe hoor. Maar dit kan ik wel voor je doen’. Tenslotte is niet iedereen is geknipt om de weg naar de gemeentelijke voorzieningen te vinden. Ondanks alle goede bedoelingen zijn er nog drempels genoeg. De kapper zucht en draait mevrouw terug in de richting van de spiegel. Ik kom de volgende maand graag terug met mijn poster, dus laat ik de kapper niet langer wachten en vertrek.

Afspraak
Een paar weken later is er een afspraak bij het wijkbureau. En zijn er meerdere bewoners die in de verwaarloosde straat de plantenbakken bij willen houden.

Ik glimlach; ‘hopelijk kunnen ze binnenkort gauw de bloemetjes buiten zetten’.

Vertrekken
Ik wil net vertrekken en wacht nog even omdat ik zie dat er een jongeman, in een stevige pas, mijn kant oploopt. Het is een twintiger in een spijkerbroek, een eenvoudig effen T-shirt en gymschoenen. Hij stopt voor mijn kleine lage bloementafeltje en hupt daar heen en weer, van been op been, of de grond onder zijn voeten te heet is. ‘Koffie, vraag ik? ‘Nee, gatver, doe maar thee en ik wil niet zitten’. Hij pakt zelf een koekje van het tafeltje en begint meteen voluit, met zijn mond halfvol, en in een rap tempo te vertellen.

Gepest
‘Daar, woon ik bij het begeleid wonen, achter de bibliotheek’. En hij wijst naar de overkant. ‘Eerst woonde ik op Kanaleneiland. Ik werd daar gepest. Hier niet, in Zuilen voel ik me fijn. Ik werk hoor! Bij het UW-bedrijf, dat is van de gemeente. En mijn moeder is dood, één jaar al. Ik mis haar’. Heel eventjes blijft het stil. ‘Maar ja’, zegt hij, ‘ik ga door, ik ben sterk, ik heb een hele leuke kat die voor mij zorgt’. Hij pakt zijn mobiel uit zijn jaszak en laat me een aantal foto’s zien. Van zijn kattenmaatje en een foto van Ajax; ‘Da’s mijn cluppie’. Dan drinkt hij in een teug zijn thee op en verdwijnt net zo snel als hij is verschenen. Ik zie dat hij de straat oversteekt richting de bibliotheek en dat er een rode kat komt aanhollen. Hij bukt en aait het dier. Dan draait hij zich nog even terug om in mijn richting en roept vanaf de overkant, ‘tof hoor en tot ziens he!

en weg is hij, met in zijn gevolg een rode kat.

Karretje
Hij is met zijn karretje al eens eerder langs mijn Straotpraot tafeltje gereden. Een praatje is er toen niet van gekomen. Hij duwt een model kinderwagen voort die hij gebruikt voor het rondrijden van enorme pakketten reclamefolders. Aan het stuur van zijn kar steekt een flinke hoeveelheid witte plastic tye-rips uit, bedoeld om de bundels bijeen te houden. Nu vastgebonden als een soort wilde en opvallende haardos.

Sjouwerij
De sjouwerij (van het aanbod van spullen die we doorgaans niet nodig hebben) wordt uitgevoerd door een man van middelbare leeftijd. Al aardig kalend en met een rood T-shirt aan. Een man die je zou kunnen omschrijven als doorsnee: maatje 42 schoenen, een spijkerbroek, witte sokken en onopvallend in de massa. Met een leven met - de daarbij, alle bijbehorende - gemiddelde gewoontes. Ik zwaai naar hem. Hij stopt en steekt de straat over, zijn kar achterlatend. ‘Ik ken je, zegt hij, je fietst altijd met je hond en zit weleens aan de straat’. ‘Ja, zeg ik en jij (en wijs naar de overkant naar de torenhoge stapels papier) daar heb ik respect voor, wat een kilo’s zeg! Hij antwoord, ‘ik heb van de week 158 km gelopen’. Een precies getal zonder verdere uitleg.

Hartaanval
‘En, vervolgt hij, mijn vrouw is een paar jaar geleden overleden en bij de begrafenis zei mijn schoonmoeder toen hoe ze echt over mij dacht. Niet erg leuk, ik kreeg spontaan een hartaanval, echt waar! Ik voelde een druk op mijn borstkas en ben na de begrafenis meteen naar mijn huisarts gegaan, die stuurde me weg met een doosje paracetamol. Toen ben ik zelf maar naar de eerste hulp gegaan en bleek dat ik inderdaad een hartaanval had gehad'.

Eenzaam
Hij gaat door, ’ ik ben soms weleens eenzaam en eet alleen’. ‘Wist je dat er veel te doen is in de wijk? Zeg ik, ‘buurthuis, eetclub, biljarten en nog veel meer’. ‘Ik zie graag mensen op straat, zegt de man, net als jij’. Zijn donkere ogen kijken me strak aan. ‘Maar als ik me alleen voel ga ik lekker fietsen. 72 km deze week’. Een man van de exacte cijfers. ‘Nou, zegt hij, ik ga verder anders gaan de mensen klagen waar de folders blijven. Want zegt hij;

Dat gemopper tegen mij da’s niks en ik wil niet weer een hartaanval krijgen’.

Mooi perkje nietwaar?
'Ik heb er een beetje verstand van. Kijk dat zijn planten en dat is onkruid’. Ze gaat zitten en zegt, ‘van mijn vader geleerd toen ik drie jaar was’.
Dit komt uit de mond van een verzorgde dame, kort jasje (die een twintiger ook zou dragen) en knalroze lippenstift. Terwijl ze praat knijpt ze haar ogen half dicht tegen de laaghangende zon. Niets voldoet aan het stereotype beeld van een dame op leeftijd. Geen gewassen en gewatergolfd haar. Alleen de rollator klopt.

Op de fiets
‘Ik ging tot voor kort elke week op de fiets naar het zwembad’, zegt ze, ‘eerst Overvecht en later Krommerijn, dat vond ik geen fijn bad’. Haar stem gaat omhoog en ze begint harder te spreken. ‘Toen weer terug naar mijn oude bad, ik wist wel dat de schuifdeuren stuk waren’. Haar gezicht betrekt. ‘Ik kwam klem te zitten tussen die kapotte krengen. Gilde het uit. Daarna heb ik drie maanden gerevalideerd en veel gezeten. Heeft me geen goed gedaan.
Ze hebben de deuren na mij meteen gemaakt. Nu zeggen mensen tegen me: ‘je moet blij zijn met zo’n ding’. En wijst naar haar rollator. ‘Ik weet ook wel dat als je in Nederland woont je het goed hebt. Te eten en veiligheid. Ik ben van 1935, ken de oorlog. Vroeger sliep ik met mijn zus in één bed, dat was heel gewoon.’

Traplift
Ze zucht. ‘Dat perkje is leuk, zegt ze weer, kijk die kant is nog niet schoon dat duurt vaak even’. Ze kijkt weer naar haar rollator. ‘Ik heb nu ook een traplift in mijn koophuis, tegen mijn kinderen heb ik gezegd; “trek die lift er meteen uit als ik dood ben, ik kan hem niet meenemen”. ‘Zou wat zijn, zeg ik, sta je aan de hemelpoort, hallo heb mijn eigen trapje bij me’. Ze glimlacht breed. ‘Nou’, zegt ze leuk je te spreken. Fijn even tijd voor elkaar. Ik ga huiswaarts,

die “stairway to heaven” mag nog even op zich laten wachten’.

Wachten
De hele dag wacht Sol, mijn hond tijdens mijn afspraken al op mij. Nu is het mijn beurt. Rustig wacht ik tot hij het botje op straat voor de deur van de dierenzaak heeft opgepeuzeld. Hij is er zelfs voor gaan liggen. Er komt een dame aangelopen met een rollator, ze heeft een fleurige blouse aan, keurig gekapt haar en draagt een bril. ‘Wat een schatje’, zegt ze en ze reikt uit naar Sol. ‘Ik had ook een hond, dat is alweer elf jaar geleden. Mijn man kreeg dementie en werd aan zijn hart geopereerd. Toen hij uit het ziekenhuis kwam deed de hond anders tegen hem. Je moet sterk zijn en streng, zeker met een herder. Maar dat vonden wij heel lastig. Tegen kinderen was hij heel lief maar thuis werd hij de baas in plaats van wij. En wat moet je dan? Moeilijk hoor. Toen werden we gebeld door de dierenarts, je kunt nu komen, dat was binnen een week nadat mijn man weer thuis was, we hadden namelijk iemand ontmoet die ons zou helpen, via de dierenarts. Dat was wel even slikken’.

Ik slik ook even, ”nee he, gaat het door mijn kop, hij heeft toch geen spuitje gekregen”, ik zeg niets en luister verder.

‘Maar het is goed geweest want hij is nu een echte politiehond,

iemand belde me nog eens, ze hadden hem op televisie gezien onze Arne, ja, hij had een stevige hand nodig en mijn man was niet zo sterk meer’. Hoe gaat het nu met uw man? vraag ik. “Hij heeft eerst in huize Rozendaal gezeten en is alweer drie jaar geleden overleden’.

Alleen
‘Wat naar zeg ik, u komt sterk en positief over’. Ja, dat ben ik, zegt ze, ‘alleen als je thuiskomt, dan ben je wel alleen. Ik heb zijn foto staan en steek hele verhalen tegen hem af. Je zou me eens moeten zien’. Voor alles is een tijd, dus zeggen we elkaar gedag en ga ik huiswaarts met Sol. Iedereen heeft een verhaal, zelfs een herdershond.

Het lukt me net. Ik wring me door de deur van deze koffietent op Utrecht C.S. Wat onwennig probeer ik vandaag voor het eerst mijn mini-scootmobiel uit. Het voelt een beetje dubbel. Liever niet, al geeft het vrijheid als mijn benen minder zin hebben.

‘Kom je zo even bij me zitten?’zegt de man.

‘Tuurlijk doe ik dat! Roep ik. Eerst even veilig uit de rij zonder iemands tenen eraf te rijden. ‘Wil je koffie?' ‘Nee hoor, zegt hij, ik heb net gehad’. De man blijkt een thuisloze reiziger te zijn op weg van Ede naar de Catharijnesteeg in Utrecht voor een warme slaapplek. Wat met deze vrieskou van levensbelang is.'Hé zeg ik, ik ken Bosshardt persoonlijk’. ‘O ja?, zegt hij, die is al lang dood hoor! ' En hij lacht breeduit en ik zie dat hij nog maar twee tanden in zijn mond heeft.

Alledaagse zaken
We babbelen samen nog even over alledaagse zaken; het weer, hoe koud het is, het openbaar vervoer en dan zie ik op de klok dat het tijd is om te vertrekken. ‘Ik ga, anders mis ik mijn trein, staat mijn reisgenoot voor niets te wachten. Mag ik je een kleinigheidje geven? Vraag ik '.‘ Eh, nou fijn, maar kan je het wel missen? Anders niet doen hoor, echt niet doen’. Hij helpt mij nog even door de deur want als ik wegrijd bots ik tegen een tafel aan. Tot grote hilariteit van de rest van de bezoekers. Nog even oefenen dus. Snel geef ik hem nog een kaart met de contactgegevens van Straotpraot.

‘Bel maar,
kom ik bij jou een bakkie drinken in de steeg! '
Dan ik rijd de hal in, richting de vriendin waar ik vandaag mee naar het museum ga. Ze loopt me tegemoet. ‘Wat zit jij te grijnzen, zegt ze? Je nieuwe scootmobiel?'‘Ik vertel het je zo, zeg ik', en glimlach. Mijn dag is goed gestart.